In de volksmond spreekt men van "wettige zelfverdediging". Dit is een enigszins misleidende term omdat het recht om zich te verdedigen niet alleen het eigen leven betreft maar ook het leven van derden en zelfs hun eerbaarheid.

Daarom raden we aan de correctere term van wettige verdediging te gebruiken.

U moet weten dat het gebruik van geweld beschouwd wordt als een misdrijf van gemeen recht. In principe heeft niemand - behalve politionele diensten (beperkt volgens de wet op het politieambt) - het recht om geweld te gebruiken. Algemeen wordt ook aangenomen dat niemand zichzelf recht mag verschaffen. Daarom wordt de wettige verdediging in het strafrecht beschouwd als een grond van rechtvaardiging. 

Men spreekt dikwijls ook van noodweer. Van oudsher hanteren alle rechtssystemen de notie wettige verdediging als een rechtvaardigingsgrond die op het natuurrecht is gebaseerd : namelijk wie aangevallen wordt, heeft het recht zich te verdedigen. Waar de mogelijkheid onbestaande is dat het rechtssysteem de slachtoffers van misdrijven beschermt, moeten deze in de mogelijkheid gesteld worden zichzelf te beschermen. 

De theorie van de wettige verdediging wordt uit de doeken gedaan in de art. 416 en 417 van het Strafwetboek.          

Art. 416 Strafwetboek: Er is noch misdaad, noch wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen, en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van een ander. De zelfverdediging heeft verwantschap met de dwang. Zij word als grond van rechtvaardiging aanzien omdat ze de vrije wil van de dader ontneemt.

Opdat de zelfverdediging zou kunnen ingeroepen worden, moeten er 5 voorwaarden aanwezig zijn :   

1. De aanslag moet met geweld tegen de lichamelijke, persoonlijke integriteit of eerbaarheid gepleegd zijn     

2. De aanslag moet onwettig zijn         

3. De verdediging moet ogenblikkelijk zijn     

4. De verdediging moet noodzakelijk zijn       

5. De verdediging moet in evenredigheid zijn met de aanval